Hieronder vindt u een overzicht van de twaalf basisprincipes van de Montessori methodiek in Dementie, zoals ontwikkelt door Dr Cameron Camp. Ik geef een korte toelichting bij ieder punt.

Deze video heb ik gemaakt tijdens mijn werk in Australie, in samenwerking met de Alzheimer Stichting aldaar. De film is Engels gesproken, maar volgt de principes zoals hieronder beschreven en geeft daarbij ondersteunend beeld.

1. Voor je begint, vraag je af wat het doel is. Dit is het eerste principe, omdat Montessori activiteiten ook in worden gezet bij lichamelijke revalidatie. U moet daarbij denken aan activiteiten om de armen te trainen, zodat iemand weer zelfstandig kan eten. Dit is een tak van sport op zich. In de meeste andere gevallen gaat het om participatie. Iemand afleiden van zijn gedrag en betrekken bij een activiteit of taak in het dagelijks leven.

2. Houd rekening met iemands (fysieke) mogelijkheden. Dit is een randvoorwaarde om de activiteiten te kunnen doen. Welke lettergrootte kan iemand nog lezen? Is het gehoor in het ene oor beter dan in het andere? Waar ziet de persoon het best? Kan de persoon iets vasthouden, iets aanreiken? Alles waar de ander wat moeite mee heeft, faciliteer je. Ga bijvoorbeeld zitten aan de kant van het dominante oor en praat eventueel dichtbij het oor (maar verhef de stem niet!).

3. Nodig de ander uit om deel te nemen. Het is een kleinigheid, maar zo belangrijk: de eerste stap om de ander een gevoel van controle en waarde te geven. Als professional, en soms ook als familielid, is het handig u zelf voor te stellen met naam en beroep (of relatie tot de patient). Leg uit dat je een activiteit komt doen en wil de persoon je misschien helpen? Bijna iedereen beantwoordt die vraag positief.

4. Geef zoveel mogelijk keuzes. Grote kans dat u nu denkt: ‘Dat wil ik graag, maar als ik vraag “wat wil je doen?”, volgt er stilte’. De kracht van dit principe zit hem dan ook in dat het u een handvat geeft hoe u keuzes kunt aanbieden. U weet als geen ander dat een normaal gesprek (zoals vroeger) niet langer mogelijk is. Maar u zult zien dat als u de ander twee concrete keuzes geeft, dat diegene wel degelijk een keuze kan maken. Laat twee verschillende overhemden zien bij het aankleden: ‘Wil je vandaag het blauwe of het bruine shirt aan?’. Bij activiteiten laat b.v. een bloem en een zakdoek zien: ‘Wil je bloem schikken of zakdoekjes vouwen?’.

5. Praat minder. Doe alles voor! In een praatgrage samenleving is dit een enorme verandering. Het gaat er hierbij om dat u zich aanpast aan de ander. Als die nog vloeiend praat en daarbij geen frustratie ervaart (ook al is het niet zo logisch is), dan kunt u volop mee- of terugpraten. Heeft de ander problemen met praten, dan is het heel belangrijk dat u het ook minder doet. Ik stel mezelf altijd voor hoe gefrustreerd ik zou zijn als ik wel weet wat ik wil zeggen en toch niet uit mijn woorden kan komen. Voorkom die frustratie. Maak oogcontact, demonstreer wat u de ander wilt laten doen, assisteer. Ook als u praat, dient u alle handelingen te demonstreren.

6. Pas je snelheid aan. Dit is voor mij het moeilijkste principe. Ik betrap me zelf er eigenlijk altijd in de eerste minuten op dat ik te snel beweeg of te snel praat. Het is misschien mijn normale tempo, maar het sluit niet aan bij de ander. Ik merk het eigenlijk altijd aan de reactie van de ander: ze kijken verward of raken wat geagiteerd. Kijk hoe de ander beweegt en volg.

7. Gebruik non-verbale hints en sjablonen. Hoe trekt u iemands aandacht als u geen woorden mag gebruiken. Dr Camp zou tai chi voor een volle luid-pratende zaal doen, net zo lang tot iedereen stil valt en naar hem kijkt. Een kleine variant daarop is uw hand in het gezichtsveld (op gepaste afstand :)) brengen als uw naaste afgeleid raakt. Wacht tot ze de hand zien en beweeg de hand langzaam naar de activiteit. Het gebruik van sjablonen, b.v. waar plaatjes of objecten dienen te worden neergelegd, biedt ook structuur.

8. Geef de ander iets om vast te houden. Dit is met name voor diegene die niet meteen meedoen. Voor zulke mensen helpt het als u een activiteit kiest en deze ook zelf gaat doen. Reik de ander een bloem (bij bloemschikken) aan of leg die voor haar neer en ga aan de slag. We hebben wel eens meegemaakt dat een meneer de hele eerste sessie niet mee wilde doen, maar wel bijzonder geïnteresseerd toekeek. Bij de tweede sessie nam hij actief deel. Geef iemand tijd (vooral ook als ze een poosje niet gestimuleerd zijn) en de gelegenheid deel te nemen als ze er klaar voor zijn.

9. Werk van eenvoudig naar moeilijker. Kies een beginpunt, liefst iets te makkelijk en bouw de activiteit uit. Wederom is het van belang iemands aandacht niet te verliezen. Dat kan zowel gebeuren als het te gemakkelijk is of te moeilijk. U moet voortdurend in de gaten houden hoe de ander reageert. Als ze hun aandacht lijken te verliezen, check u eerst of u alle principes volgt; daarna kunt u de moeilijkheid van de activiteit variëren, en; als laatste kunt u van activiteit wisselen.

10. Breek een taak in kleine, overzichtelijke stapjes. Bij familieleden van mensen met dementie heb ik vaak gemerkt dat er even een omschakeling moet plaats vinden wat voor taken en activiteiten ze met hun naaste kunnen doen. Een voorbeeld. Een mantelzorger meldt dat vader dol op vissen is, maar dat ze ‘hem niet meer mee kan nemen om te gaan vissen’. Daar heeft ze gelijk in, maar ze kan wel met hem plaatjes van vissen sorteren of een hengel uit elkaar halen en weer in elkaar zetten. Vaak moeten ook zulke taken in kleine stapjes worden opgebroken een aangeboden.

11. Aan het einde, stel vragen. Zelfs als iemand niet zo goed praat, doen we dit toch altijd. Het is hetzelfde als de opening van uw bezoek. Vraag of iemand het leuk heeft gevonden? Of ze dit nog eens willen doen? Neem tijd om afscheid te nemen (als u weggaat); zeg ook altijd dat u binnenkort weer komt (als dat zo is natuurlijk). Ruim eventueel samen op als onderdeel van het afscheidsritueel (volg ook daarbij de andere principes).

12. Er is geen goed en fout. Het gaat om participatie. Dit komt ook al uitvoerig aan bod in het paw-model. Het is echt de essentie van de methode en soms moeilijker dan u zou denken. U kunt best af en toe uw naaste eens corrigeren, maar let goed op de reactie. Verstoort het iemands flow? Raakt de ander gefrustreerd? Probeer het dan achterwege te gaan. Ga terug naar principe 1: zijn ze actief bezig? Zijn ze vergeten dat ze aan het ronddwalen waren of dat ze iedere minuut graag de tijd willen weten? Dan is het doel bereikt, toch?